Home
Vertalingen
Stukken
Strips
Genealogie
CV
Links
Zoek

 

Een fragment uit
De arrogante aap
door Christine Webb, vertaald door Evert van der Waa en FvdW


Het menselijk meerderwaardigheidscomplex

‘Wat een mirakel is de mens!’ zegt Hamlet vol bewondering, ‘zo nobel in zijn denken, zo oneindig in zijn vermogens! [...] In zijn daden, zo gelijk een engel, in zijn begrip zo godgelijk! [...] Het toppunt van de schepping!’

In een handvol korte regels presenteert Shakespeare hier het meest prominente thema in de geschiedenis van het westerse denken: de mens is de slimste, de deugdzaamste en bekwaamste soort ter wereld.

Alleen rijst bij mij dan de vraag: als we werkelijk geloven dat we zoveel beter zijn dan andere soorten, waarom maken we daar dan al duizenden jaren zo’n punt van?

Psychologisch onderzoek heeft aangetoond dat mensen hun eigen vermogens en prestaties overbenadrukken om zo het gevoel te verbergen dat ze tekortschieten of gefaald hebben. Hebben we soms een zogeheten meerderwaardigheidscomplex als er andere soorten in het spel zijn?

We zijn immers niet het grootst, het snelst, of het sterkst. De blauwe vinvis, het jachtluipaard en reuzenkevers zijn ons in dat opzicht de baas. Ook zijn we niet het talrijkst en leven we niet het langst. Mieren en sponzen (ook maar te zwijgen van de meeste bacteriën en plantensoorten) geven ons wat dat betreft met gemak het nakijken. Andere soorten presteren op talloze manieren beter dan de mens. Probeer het maar eens van een arend te winnen bij een oogtest of van een dolfijn als het om echolocatie gaat. En dus beriepen we ons op ons verstand. Een uitgemaakte zaak! Daarin móesten we wel in het voordeel zijn.

Carl Linnaeus, de grondlegger van het moderne systeem om organismen te classificeren, noemde ons Homo sapiens, de verstandige mens. Tegenwoordig noemen we ons Homo sapiens sapiens, de verstandigste der verstandigen. Dat we onszelf bezien in zulke superlatieve termen druist in tegen darwiniaanse ideeën over de continuïteit tussen soorten.

Ook nu nog zien we bij de belangrijkste media en vooraanstaande wetenschappers voorbeelden te over van het menselijk exceptionalisme. Let maar eens op hoe dikwijls de mens wordt afgeschilderd als een zelfstandig, superieur wezen ten opzichte van zijn omgeving, direct dan wel impliciet. ‘Hoewel we dieren zijn [...] zijn we niet zomaar dieren,’ schreef filosoof Roger Scruton in 2017 op de opiniepagina van de New York Times. ‘Als individuen leven we in een wereld die niet te reduceren valt tot de wereld van de natuur.’ In zijn artikel ‘De menselijke soort: wat ons onderscheidt van andere dieren’ in The Guardian (2018) stelde geneticus Adam Rutherford: ‘We kunnen ons gedrag niet op bevredigende wijze in overeenstemming brengen met dat van andere dieren, en beweringen dat we dat wel kunnen berusten vaak op gebrekkig wetenschappelijk onderzoek.’ En vergelijkend psycholoog Thomas Suddendorf meldt in een recent artikel voor CNN: ‘Het lijkt evident dat er met ons iets heel bijzonders aan de hand is.’

Ook bij pogingen om vast te stellen wat het unieke onderscheidende kenmerk van de mens is, voert menselijk exceptionalisme de boventoon. In een interview met npr uit 2016 met de titel ‘Waarom is de mens de meest succesvolle soort ter wereld?’ wijst historicus en bestsellerschrijver Yuval Harari de menselijke verbeeldingskracht aan als de reden ‘dat wij met miljarden kunnen samenwerken, terwijl chimpansees dat niet kunnen, en dat wij de maan hebben bereikt, het atoom gesplitst en het DNA ontcijferd, terwijl zij alleen maar met stokken en bananen spelen.’ In een artikel uit de Los Angeles Times wordt daarentegen gewezen op onze unieke edelmoedigheid: ‘De reden dat we het human kindness noemen is misschien wel dat dit de enige soort is die er is.’ De markt voor informatieve boeken wordt overspoeld met werk van auteurs die verkondigen dat ze die ongrijpbare heilige Graal hebben ontdekt van dat wat ons ‘menselijk’ maakt, en de lof zingen van de ongeëvenaarde intelligentie, flexibiliteit, vriendelijkheid, taal, creativiteit en andere fraaie eigenschappen van onze soort.

Het menselijk exceptionalisme blijft niet beperkt tot de populaire media. Er zijn complete symposia over de vraag wat ons mensen zo bijzonder maakt. De primatoloog Michael Tomasello opende in 2019 zijn inleidende toespraak voor de Association for Psychological Science met een verontschuldiging aan het adres van de grote mensapen, waarna hij een pleidooi afstak over onze cognitieve superioriteit als mens. Er zijn complete takken van onderzoek gewijd aan deze enorme mentale kloof tussen de mens en andere dieren, waarvoor de biologisch antropoloog Marc Hauser de term humaniqueness heeft bedacht. Het verhaal luidt steevast dat andere primaten weliswaar beschikken over de rudimentaire ‘bouwstenen’ van de menselijke cognitie, maar dat het hun ontbreekt aan de unieke adaptaties van de menselijke geest die onze soort de mogelijkheid hebben gegeven te gedijen en zich te verbreiden. Deze eigenschappen hebben de mens in staat gesteld de complete aarde te overheersen –een dominantie die dikwijls gelijkgesteld wordt aan ons ‘evolutionair succes’. Wat voor een verhaal zou je anders verwachten van een soort die zich zo vaak laat voorstaan op zijn eigen intelligentie? Zowel nu als in het verleden lijkt het erop dat het bijzondere aan ons nu juist is dat we denken dat we zo bijzonder zijn. Wat dat éne betreft had Hamlet het bij het juiste eind: we zijn een slag apart.

*

De kern van het betoog in De arrogante aap is dat het menselijk exceptionalisme – ook wel antropocentrisme of menselijke superioriteit genoemd – de hoofdoorzaak is van de ecologische crisis. Deze wijdverbreide denkwijze geeft mensen het idee dat ze heer en meester zijn over de Natuur, dat ze een aparte plaats innemen ten opzichte van de aarde en andere soorten en dat ze gerechtigd zijn om die voor hun eigen exclusieve voordeel te gebruiken. En nu krijgen we onze trekken thuis in de vorm van bosbranden, een stijgende zeespiegel, het massale uitsterven van soorten en pandemieën als het coronavirus.

De mensheid is dusdanig gehersenspoeld door dit onzalige en gevaarlijke wereldbeeld dat de meesten van ons zich er totaal niet van bewust zijn. Al van jongs af aan raakt de mythe van het menselijk exceptionalisme geïnternaliseerd en wordt ze door de samenleving op verschillende manieren bekrachtigd – op school, via lesboeken, preken, politieke campagnes, advertenties, films, het vieren van feestdagen, taal en nog veel meer. Maar – en dat is misschien nog het meest verontrustend – het menselijk exceptionalisme is zelfs doorgesijpeld naar de wetenschap.

Omdat ik mijn carrière heb gewijd aan het bestuderen van de geest van de nauwst aan ons verwante levende primaten, weet ik dit uit eigen ervaring.

Op een ochtend, aan de rand van de Namibwoestijn, las een baviaan die we Bear noemden mijn gedachten. De dag daarvoor hadden hij en een stuk of tien andere bavianen mijn collega belaagd door onder het slaken van hoge, luide kreten tegen haar benen te slaan. We wisten niet zeker wat de aanleiding hiervoor was, maar het was duidelijk dat Bear de aanstichter was. Beducht voor een herhaling van het incident bewaarde ik de volgende ochtend enige afstand van de troep, maar vervolgens kwamen Bear en zijn aanhang opnieuw aanzetten over de top van de heuvel. Dit keer liepen ze recht op me af. Ik ploeterde juist op dat moment voort over een steile rotsachtige helling en kon ze niet uit de weg gaan. Mijn hart bonsde in mijn keel en het zweet stond in mijn handen, maar uitwendig bleef ik kalm. Toen gebeurde er iets wat ik nooit zal vergeten, omdat het mijn beeld van andere dieren en waartoe ze in staat zijn totaal veranderde. Ondanks mijn voorgewende kalmte kwam Bear naar me toe en legde zijn hand op mijn been. Hij keek naar me op en trok zijn tanden bloot in een vreemde geforceerde grimas. Als primatoloog weet ik dat dit een geruststellend teken is, iets wat bavianen doen om onderlinge conflicten af te wenden en op te lossen. Hij verontschuldigde zich voor de dag daarvoor. Deze baviaan wist wat ik wist en probeerde het weer goed te maken.

Wat maakte deze ontmoeting zo bijzonder? Toen ik er later veilig en wel in mijn tent over nadacht, realiseerde ik me hoe vaak me als student was verteld dat andere primaten niet beschikken over het vermogen om andermans gedachten te duiden – dat wat wetenschappers ‘theory of mind’ noemen. Dit geldt als een van de vele cognitieve vermogens waarin de mens zich heet te onderscheiden van andere dieren. Bavianen worden niet geacht te weten wat andere bavianen weten, laat staan wat een lid van een andere soort zou kunnen denken. Maar Bear? Bear las mijn gedachten. Ik heb heel wat dingen moeten afleren die mij tijdens mijn studie als harde feiten zijn ingeprent.

Eeuwenlang hebben de filosofie en de godsdienst van het Westen het idee hooggehouden dat de menselijke soort een centrale en superieure plaats inneemt in het universum. Charles Darwin zette dit wereldbeeld op zijn kop met zijn theorie over evolutie door natuurlijke selectie, waarmee hij aantoonde dat de verhouding tussen soorten niet berust op een hiërarchische indeling, maar op een gemeenschappelijke stamboom. Darwin zelf zou vermoedelijk verbaasd zijn dat het menselijk exceptionalisme zo’n blijvende invloed heeft op het collectieve denken. Evengoed realiseerde hij zich dat zijn ideeën bedreigend waren voor een cultuur die per se wilde vasthouden aan deze mythe. Zo schreef hij, meer dan twintig jaar voor de publicatie van On the Origin of Species, in een van zijn notitieboeken: ‘De mens denkt in zijn arrogantie dat hij een fantastisch wezen is, waard om als een godheid te worden beschouwd. Het is bescheidener en volgens mij ook meer in overeenstemming met de waarheid om hem te beschouwen als voortgekomen uit de dieren.’

Heden ten dage is de wetenschap in toenemende mate verantwoordelijk voor het aansturen van onze opvattingen over de positie van de mensheid ten opzichte van de natuur. Maar wanneer we de wetenschap laten infiltreren door de ideologie van de menselijke superioriteit leidt dat tot vormen van vooringenomenheid die eerder bevorderlijk zijn voor het in stand houden van het menselijk exceptionalisme dan voor een nederiger, authentieker beeld van wat de mens vermag. Dat is een van de belangrijkste redenen dat de mythe van het menselijk exceptionalisme ons denken tot op de dag van vandaag domineert. Het maakt ook dat wetenschappers – in tegenstelling tot Darwins theorie over een mentale continuïteit tussen de mens en andere soorten – zelfs nu nog volhouden dat er een diepe kloof gaapt tussen onze geest en die van het dier.

Het idee voor De arrogante aap ontstond toen ik in 2019 ging werken bij het Department of Human Evolutionary Biology van Harvard. Ik was al lange tijd geïnteresseerd in de vraag hoe de mens is geëvolueerd tot wat hij tegenwoordig is. Naast een levenslange nieuwsgierigheid naar andere dieren is dat een van de redenen dat ik primatoloog ben geworden. In een evolutionair perspectief ligt de nadruk op continuïteit – verschillen tussen soorten waarbij het eerder gaat om gradaties dan om categorieën. En toch is het idee dat er essentiële eigenschappen zijn die uitsluitend genoten worden door alle leden van onze soort (of, breder gezien, van iedere denkbare soort) ongelofelijk hardnekkig. Eerdere pogingen om te komen tot een definitie van een stabiele, unieke en universele ‘menselijke aard’ bleken hetzij ook andere soorten te omvatten, dan wel diverse categorieën mensen buiten te sluiten (dikwijls degenen die binnen onze samenleving al op een of andere manier werden gediscrimineerd of gemarginaliseerd).

Maar als we zoveel nadruk leggen op dat verhaal over de menselijke uniciteit kunnen we dat net zo goed doen voor andere levensvormen. Alle soorten hebben in de loop van de evolutie specifieke aanpassingen aan hun omgeving ontwikkeld. Als de mens uniek is, dan is elke soort uniek. Alleen gaat het bij het menselijk exceptionalisme over iets anders dan uniciteit. Menselijk exceptionalisme houdt in dat datgene waarin de mens zich onderscheidt waardevoller en geavanceerder is dan de specifieke kenmerken van andere levensvormen (in plaats van dat het er gewoonweg van verschilt).

Nu binnen de wetenschap het concept van de evolutie vrijwel overal wordt aanvaard zou je denken dat het intussen wel afgelopen moet zijn met het menselijk exceptionalisme. Maar dit wereldbeeld is zo diep geworteld in onze samenleving dat bijna iedereen (met inbegrip van wetenschappers) dikwijls zonder bewuste inspanning de basale premissen ervan accepteert.

In de volgende hoofdstukken zullen we ons bezighouden met ideeën die nu en dan strijdig zijn met allerlei denkbeelden over de wereld die we normaal gesproken als waar beschouwen. Zulke aannames kunnen zo rotsvast zijn dat we soms niet eens beseffen dat we überhaupt iets aannemen. Het menselijk exceptionalisme is er bij ons zo grondig ingehamerd en zonder tegenspraak gebleven dat we het nauwelijks meer herkennen als louter een verhaal; in plaats daarvan hebben we het geïnternaliseerd als ‘feit’. Maar het afleren van dit wereldbeeld kan, hoe moeizaam ook, minstens zo lonend zijn. Wij (en vele andere soorten) hebben nog zoveel te winnen als we ons scherper bewust worden van onze eigen vooringenomenheid. In dit boek wordt beschreven hoe we de alomtegenwoordigheid van het menselijk exceptionalisme kunnen leren onderkennen, hoe we vervolgens de manier waarop we de wereld waarnemen kunnen veranderen, en hoe dit veel mensen, mijzelf incluis, een andere kijk heeft gegeven op de wetenschap en de manier waarop we die beoefenen.


© Frits van der Waa 2025