Roem moet hebben
blanke Steeven
Gerard van der Waa
Frits van der Waa
Sinds enige generaties bevindt zich in de bibliotheek van een Zeeuwse artsenfamilie een exemplaar van het Lexicon Novum Medicum van Stephanus Blancardus (Steven Blankaart), gedrukt in 1690 (bij Luchtmans in Leiden). De eerste druk van het boek was uit 1679 (Amsterdam).
Blankaarts Lexicon is te vergelijken met het moderne medisch woordenboek van Pinkhof. Medische termen worden er in het Latijn in verklaard. In een appendix staan verwijzingen van de betreffende begrippen in het Duits, Frans, Engels en Attisch Grieks.
In het vermelde exemplaar heeft een vroegere eigenaar op het voorste en het achterste schutblad teksten geschreven, grotendeels in dichtvorm. Het was de vraag van de huidige eigenaresse wat de vertaling en de betekenis daarvan zijn. Achtereenvolgens geven we een transcriptie, een beschrijving en een analyse van beide teksten. In deze transcripties is de oorspronkelijke spelling gehandhaafd. Het type van het schrift wijst er op dat de geschreven tekst afkomstig is van een van de eerste bezitters van het boek, omstreeks 1700.
Het voorste blad
[klik om te vergroten in nieuwe tab]

Bovenaan de bladzijde staat: sum ex libris Regneri de Graaff.
Een ruime spatie daaronder is keurig een wapen getekend met een gravenkroon waarin een speer, een zwaard en een spade gestoken zijn. In een banderol staat met kapitale letters: EX BELLO PAX.
Boven dit wapen staat: iam seges est ubi troja fuit.
Eronder: in utrumque paratus.
Vervolgens een gedicht in hexameters, vier regels Latijn, gevolgd door een Nederlandse vertaling:
sunt delicta tamen, quibus ignovisse velimus
non semper seriet quodcunque mirabiter arcus
verum ubi plura nitent in carmine non ego paucis
offendar maculis. Bonus dormitat homerus.
daar zijn wel feilen die ik garen in wil schikken
den boog treft altijd iuijst niet daar men op gaad mikken
ik stoor me aan geen klein gebrek is t werk aars
ongemeens *
homeerus zelfs die brave digter dut wel eens.
* Aars ongemeens: aars = anders > voor het overige zeer bijzonder
Het sum ex libris Regneri de Graaff kan vertaald worden als: Ik ben afkomstig uit de bibliotheek van Reinier de Graaff en men zou denken dat daarmee de bekende Delftse medicus is bedoeld. Dit is echter onwaarschijnlijk omdat het boek gedrukt is in 1690 en Reinier de Graaff (1641-1673) toen al 17 jaar overleden was.
Hiermee ontmoeten we het eerste probleem in deze tekst.
Een tweede vraag is wat de regel boven het wapen wil zeggen: iam seges est ubi troia fuit. Deze pentameter is afkomstig uit de Heroides van Ovidius (I, 54): nu zijn er akkers waar eens Troje stond.
Het derde probleem is het wapen met de merkwaardige collectie gereedschappen en de spreuk Ex Bello Pax.
De Delftse Reinier stamde uit de familie De Graaff in zijn geboorteplaats Schoonhoven. Zijn ouders waren Cornelis Maartenszoon de Graaff (geb. 1610), architect te Schoonhoven en Catharina Reiniersdochter van Brienen. Zij hadden vier oudere kinderen: Martinus (geb. ca 1639, overl. na 1687), Adriaan (overl. 1681), Aalbertje en Jacob (overl. 1656).
Reinier trouwde in 1672 met Maria van Dijck. In maart 1673 werd hun zoon Fredericus geboren. Getuigen bij diens doop waren zijn grootvader Cornelis, zijn grootmoeder van moeders kant Margaretha Droogh en zijn oom Martinus, advocaat bij het Hof van Holland.
Enkele weken later, op 7 April overleed Fredericus. In augustus van hetzelfde jaar is zijn vader overleden. Beiden zijn begraven in de Delftse Oude Kerk.
Er blijkt in de familie De Graaff een jongere naamgenoot te zijn geweest over wiens afkomst en geboortedatum de historici van mening verschillen. Volgens M.J. van Lieburg was hij een postume zoon van Reinier senior, wiens weduwe naar Schoonhoven vertrokken zou zijn en daar hertrouwd met Johann van Borchelo aan wie mr. Martinus het voogdijschap overdroeg. Van Lieburg stelt het geboortejaar van Reinier junior op 1674 en meent dat Maria als weduwe eerst getrouwd geweest is met ene Byevelt.* Menno Knul vindt het waarschijnlijker dat Reinier jr één van de onmondige kinderen was van Adriaan de Graaff, stadsarchitect te Schoonhoven, voor wie na diens overlijden in 1681 broer Martinus, de advocaat, als voogd optrad. Door Knul wordt 1676 als geboortejaar van Reinier junior aangenomen. Hij zou dus oomzegger van de Delftse Reinier zijn geweest.**
*
M.J. van Lieburg, Reinier de Graaf (1674-1717) en de Rijmkroniek van Klaas Kolijn, Documentatieblad Werkgroep Achttiende Eeuw (1977), 4-25
** website opgeheven
Vast staat dat hij in 1693 in Leiden als student is ingeschreven en daar enige tijd rechten heeft gestudeerd, In 1698 trouwde hij met Helena Johanna van der Valck, weduwe van Pieter de Wit (overl. 1697), van wie ze een dochtertje Johanna had. Een jaar later zit het echtpaar in Haarlem, waar Reinier plaatsnijder (graveur) en verkoper van antiek grafiek en boeken zou zijn geweest.
In 1702 liet hij zich in Leiden inschrijven als medisch student. In 1703 vertrok hij naar Utrecht waar hij op 6 April 1703 promoveerde tot doctor medicinae op een dissertatie De Febribus.
Over de tien jaar daarna bestaat enige onzekerheid. Tijdens de Spaanse Successieoorlog (1701-1713) heeft hij een tijd als officier van gezondheid gediend in garnizoensplaatsen zoals Schoonhoven. Na de Vrede van Utrecht duikt hij in die stad op; hij is dan gescheiden van zijn echtgenote met wie hij onmin heeft over haar alimentatie die hij al maanden niet uitgekeerd heeft. Zijn financiële positie is miserabel. In 1717 verhangt hij zich in zijn huis aan het Buurkerkhof.
Zijn bekendheid heeft hij te danken aan de frauduleuze rijmkroniek van Klaas Kolyn waarvan hij een afschrift heeft verkocht aan de Rotterdammer Cornelis van Alkemade. In 1777 is de onechtheid ervan vastgesteld en lange tijd is Reinier aangezien als de bedenker ervan. Details van deze kwestie zijn te vinden bij M.J. van Lieburg en Menno Knul.
Het is zeer waarschijnlijk dat deze Reinier de eigenaar van het Lexicon is geweest en de handgeschreven teksten er in heeft aangebracht. Onze twee andere vragen zijn daarmee namelijk ook beantwoord.
Het Ex Libris is het krachtigste argument daarvoor, maar ook het Iam seges est ubi troja fuit en het wapen met zwaard, speer en spade, allegorieën voor de afgelopen oorlog waarin ook Reinier zijn aandeel heeft gehad. Het is nu vrede; akkerland na tien jaar oorlog. De gravenkroon, waarop hij in het geheel geen recht had, moet een grapje zijn.
Mogelijk heeft hij het EX BELLO PAX van de familie Trip overgenomen, die deze spreuk als motto voerde. Door hun enorme wapenfabricage en -handel waren de gebroeders Trip schatrijk geworden; ze beweerden dat de vrede het resultaat was van hun bewapeningsinspanning. De schrijver voegt eraan toe dat men wel op beide voorbereid dient te zijn (in utrumque paratus)
De vier Latijnse regels van het gedicht zijn afkomstig uit de Ars Poetica van Horatius, regel 347, 350, 351 en 359. De bezitter van het boek geeft er in de daarna volgende regels een Nederlandse vertaling bij.
In de moderne vertaling van Rutgers van der Loeff luiden ze:
Er zijn toch fouten die vergeeflijk zijn!
Al was de handgreep goed bedoeld, een schot,
hoe scherp gemikt, treft niet altijd het wit.
Maar in een vers vol schoonheid zal ik ook
niet vallen over elke kleinigheid
Maar als Homerus even knikkebolt....
Hiermee geeft de schrijver een gunstige recensie van het Lexicon van Blankaart, hoewel er naar zijn mening hier en daar een kleinigheid op aan te merken valt.
Het achterste blad
[klik om te vergroten in nieuwe tab]

Heel anders is de toon op het achterblad. Daar uit de schrijver kritiek op Stephanus Blancardus niet op de tekst van het onderhavige Lexicon, maar op diens anatomieboek.
De transcriptie is als volgt:
Op Blankers anatomie
sonnet.
Had flip verheijen en had bidlo niet geschreven
dit kostelijke boek was noit in t ligt geraakt;
nu ist uijt dese 2 geschraapt, geradebraakt,
en met een groot getal van ander werk doorweven
een lastig meesterstuk een werk om af te beven,
zo t momus zelver zied ik wed hij t niet en wraakt
want raapen wel gestoofd is kost die lekker smaakt,
lof, lof dan, prijz en roem moet hebben blanke steeven:
hij groeij en bloeij vast als een beesien in de weij
van bidlooz vonden en den konstigen verheij,
en zij voorspoedig om aldus de konst te bouwen,
elk weet niet alleding als hier aan steeven blijkt *
die als het kraitien met een anders veren prijkt
die ider wat ontsteeld en elk het zijn laat houwen.
C: ero C:
* De meesten weten niet alles wat uit Stevens werk valt op te maken
Steven Blankaart (1650-1704) was de zoon van Nicolaas Blankaart, professor Grieks en Geschiedenis in Middelburg en later hofarts van Albertine Agnes, de weduwe van de Friese stadhouder Willem Frederik die hof hield in Heerenveen. Steven begon als apothekersleerling, studeerde filosofie en geneeskunde in Franeker en verhuisde in 1674 naar Amsterdam. Hij was een overtuigde Cartesiaan, bestreed de generatio spontanea bij insecten door de experimenten van Francesco Redi te herhalen. Behalve het Lexicon schreef hij boeken over o.a. geslachtsziekten, jicht, kinderziekten en insecten. Blankaart heeft tweemaal een anatomieboek uitgegeven, De Nieuw Hervormde Anatomia uit 1678 en Anatomia Reformata uit 1687. Waarschijnlijk is de uitgave van 1687 een Latijnse uitgave van het Nederlandstalige boek.
De strekking van het sonnet is duidelijk: de eigenaar van het boek (van wie we aannemen dat hij ook de auteur van de tekst is) beweert dat Blankaarts Anatomia nooit tot stand zou zijn gekomen zonder de schrifturen van Bidloo en Verheyen. Blankaart heeft daaruit feiten verzameld en die met andere gegevens tot een bewonderenswaardig meesterstuk omgebouwd. Zelfs Momus (de god van de kritiek) zou het niet laken. De tekst is immers smakelijk opgediend. Lof dus voor de Blanke Steven die als een koetje in de wei mag groeien en bloeien en prijken met de vondsten van Bidlo en Verheij.
Hij beschuldigt Blankaart dus duidelijk van plagiaat, en de loftuitingen hebben hier, anders dan op het voorblad, onmiskenbaar een spottende bijklank. Het overnemen van teksten of illustraties zonder vermelding van de auteur was in die tijd heel gebruikelijk en werd vaak geaccepteerd, maar er kon wel tegen geprotesteerd worden, zoals hier gebeurt. Heftige, elkaar beledigende schriftelijke disputen tussen geleerden zijn in de 18de-eeuwse medische literatuur tamelijk gebruikelijk.
Van de twee auteurs van wie Blankaart stof ontvreemd zou hebben is Govert Bidlo(o) de bekendste. Hij was de directe voorganger van Boerhaave als hoogleraar geneeskunde in Leiden.
Geboren in 1649 in Amsterdam als zoon van een apotheker werd hij eerst opgeleid tot chirurgijn (o.a. door Frederik Ruysch). Daarna ging hij naar Franeker waar hij in 1682 tot doctor medicinae promoveerde. Al in 1685 werd zijn anatomische atlas uitgegeven, Anatomia Humani Corporis, in de Nederlandse editie Ontleding des Menschelyken Lichaams met platen van De Lairesse, een prachtig (en duur) boek. Het werd in Engeland in 1698 geplagieerd door William Cowper (Anatomy of the Humane Bodies) zonder vermelding van de bron. Er ontstond een jarenlange heftige strijd in pamfletten tussen Bidloo en Cowper.
In 1688 was Bidloo lector in de ontleedkunde geworden in Den Haag. In 1690 werd hij benoemd tot superintendent generaal over de militaire gasthuizen en in 1692 in diezelfde functie ook in Engeland. In 1694 werd hij hoogleraar anatomie en medicijnen in Leiden; in 1701 vertrok hij naar Londen als lijfarts van Willem III die door hem in 1702 op zijn sterfbed behandeld werd. Daarna vatte hij het hoogleraarschap in Leiden weer op.
Hij was een man die flink op de voorgrond trad en zich daarmee tegenstanders bezorgde. Zo ontstond een heftige discussie met Frederik Ruysch, zijn vroegere leermeester, die hem ervan beschuldigd had in zijn anatomieboek de menselijke genitaliën op onzedige wijze gepubliceerd te hebben.
Naast zijn medisch werk heeft Bidloo zich al in het begin van zijn loopbaan intensief met literaire zaken bezig gehouden, met toneelstukken, operalibrettos en een soort musicals. Een lang lofdicht maakte hij op Michiel de Ruyter na diens sneuvelen.
In 1713 is hij in Leiden overleden. Hij was (en is nog steeds) een bekend man.
Philip Verheyen was wat afkomst en levensloop betreft van een geheel andere postuur. Hij werd in 1648 in het Oost-Vlaamse Verrebroek geboren in een landbouwersgezin en werkte, toen zijn vader vroeg overleden was, tot zijn 22ste als boerenknecht. De pastoor gaf hem les in het Latijn en stuurde hem in 1672 naar Leuven voor een priesteropleiding. Hij hield zich in die tijd al bezig met het kopiëren van de anatomische afbeeldingen van Vesalius. Na een driejarige soort middelbare studie werd hij in 1675 ingeschreven aan de Artesfaculteit die anti Descartes was. Vanaf 1677 was hij seminarist aan de theologische faculteit, in het Heilige Geest College. Wegens een levensbedreigende infectie aan zijn linkerbeen moest dit been onder de knie geamputeerd worden. Dat zou volgens sommige auteurs in Leiden gebeurd zijn door een leerling van Frederik Ruysch, maar volgens R. Suy (emeritus hoogleraar Leuven) is dat onwaarschijnlijk. * Aan hem hebben we de belangrijkste biografische gegevens over Verheyen ontleend. Door het concilie van Trente was iemand met een lichamelijke onvolkomenheid ongeschikt voor het priesterschap. Verheyen schreef zich daarom in 1678 in bij de medische faculteit in Leuven en was in 1682 enige tijd in Leiden en Amsterdam. In die periode las hij de werken van Spinoza, waar hij het niet mee eens was, want hij bleef zijn hele leven een trouw Rooms-Katholiek. Hij volgde de anatomiedemonstraties van Drelincourt en maakte kennis met Ruysch, Bidloo en Blankaart. Waarschijnlijk lag zijn belangstelling al heel lang meer bij de anatomie van het menselijk lichaam dan bij de godgeleerdheid. Dat blijkt ook uit het feit dat hij direct na de amputatie ervoor zorgde dat zijn been geconserveerd werd. Hij leed aan fantoompijnen, aanleiding om het geconserveerde been dat opgespoten was volgens de methode van Ruysch eigenhandig te ontleden.
* R. Suy, Philip Verheyen (1648-1710) and his Corporis Humani Anatomiae Acta chir. Belg. 2007, 107, 343-354. Zie
hier.
Hij ging in 1683 terug naar Leuven, trouwde met de zuster van de hoogleraar anatomie die hij opvolgde. Op de slagvelden van de Negenjarige Oorlog en de Spaanse Successieoorlog zocht hij naar lichaamsdelen voor zijn anatomische demonstraties.
In 1705 was hij korte tijd rector magnificus. Toen zijn leerling en medewerker Jan Palfyn hem in 1710 bezocht zag hij Verheyen verstrooid achter zijn tafel uit het raam kijken. Op de tafel lag zijn geamputeerde ontlede been; iedere spier, pees en zenuw vrijgeprepareerd en gelabeld.
Kort daarna, in januari 1711, is hij overleden. Eigenlijk is hij alleen beroemd in zijn geboortedorp; daar is in 1862 een standbeeld voor hem opgericht en in de streek worden de inwoners van het dorp Flippen genoemd.
Hij heeft maar weinig uitgegeven werken nagelaten. Het enig belangrijke is de Corporis Humani Anatomia (1693), die gedurende de hele 18de eeuw zeer intensief als leerboek is gebruikt, omdat ze duidelijk was met veel goede afbeeldingen en desondanks goedkoop; 21 keer herdrukt, vertaald in het Duits en het Nederlands. In 1710 kwam postuum een tweedelige verbeterde en meer uitgebreide heruitgave op de markt die dertien maal is herdrukt en ook weer in het Duits en het Nederlands is vertaald. *
* S. Dupré and C. Luthy, Silent Messengers. The circulation of material objects of knowledge in the Early Modern Low Countries, Berlijn 2011. https://archive.org/details/oapen-20.500.12657-59848.
Kort samengevat:
Blankaarts De Nieuw Hervormde Anatomia verscheen in 1678. De Latijnse editie, Anatomia Reformata, stamt uit 1687.
Bidloos Anatomia Humani Corporis verscheen in 1685, en Verheyens Corporis Humani Anatomia verscheen in in 1693.
Het ironisch lofdicht levert dus op het eerste gezicht een chronologische paradox op: Blankaarts Anatomia is eerder verschenen dan de werken van Bidloo en Verheyen. Hoe kan hij die dan geplagieerd hebben?
Het antwoord is echter vrij simpel: net als tegenwoordig kunnen er in volgende drukken van een boek tussentijds (ingrijpende) wijzigingen worden aangebracht. En dat is precies wat hier gebeurd is: in de tweede editie van zijn Anatomia reformata uit 1695, die 14 stuivers kostte, nam Blankaart een aantal afbeeldingen uit Bidloo en Verheyen over. Zoals we uit dit sonnet kunnen opmaken bleef dat niet onopgemerkt.
Bidloo heeft geen actie ondernomen tegen dit plagiaat. De octavo-editie van Blankaarts Anatomia was geen financiële mededinger van zijn originele folio, maar hielp wel de faam van Bidloos illustraties onder de studenten te verspreiden. Blankaart was ook niet de enige die ze gebruikte. *
Anders dan Bidloo heeft Verheyen wél uitvoerig op dit plagiaat gereageerd. Zijn Anatomia was immers ook voor een minder draagkrachtige studentengroep bedoeld en Blankaart was daarmee een serieuze concurrent. In 1697 publiceerde hij een negentien paginas tellende Animadversiones in Anatomiam Blancardiam. Hij neemt daarin het boek van Blankaart door, bekritiseert de tekst en heeft aanmerkingen op de reproducties, die soms in spiegelbeeld overgenomen zijn. **
* Suy en Dupré/Luthy, ibid.
** Deze tekst is (als aanhangsel bij Corporis Humani Anatomia te lezen op http://archive.org/details/corporishumanian00verh en
hier.
Concluderend kunnen we stellen dat Reinier de Graaff junior of hij nu de zoon was van Reinier senior of van diens broer Adriaan zeer waarschijnlijk de eigenaar van het Lexiconexemplaar is geweest. Als medicus, boekhandelaar en plaatsnijder kon hij de drie verschillende anatomieboeken die alle omstreeks 1700 algemeen gangbaar waren beoordelen. Hij zal dus ook de auteur zijn geweest van de geschreven teksten, waarvan in elk geval de tweede vrijwel zeker ná 1697 ontstaan moet zijn, gezien de hierboven geschetste historische context.
De enige vraag die we niet hebben kunnen beantwoorden betreft de curieuze afkorting, C:ero:C, waarmee de tekst op de laatste pagina besluit.
© Frits van der Waa 2012