de Volkskrant van 14 april 1990, Kunst, recensie
"De neutronenbom op toneel heet cultuurbeleid"
AMSTERDAM - De neutronenbom, het wapen dat mensen doet verdwijnen en gebouwen laat staan, is toch
ontwikkeld, en doet zelfs zijn werk. Alleen heet hij nu anders: Cultuurbeleid.
Dat vindt Gerardjan Rijnders, artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam. Kijk maar naar het
Muiderpoorttheater, dat vijf jaar werd gedragen door vrijwilligers en nu ondanks een enthousiast
publiek leeg staat. En kijk maar naar het gekonkel rond Shaffy en de Stadsschouwburg.
Rijnders' conclusie: het is levensgevaarlijk als kunstenaars of kunstvormen met elkaar in discussie
gaan over wie de beste is.
Uitgeverij AHA Books heeft als eerste twee delen vaneen serie Kunst in bedrijf een boek over
opera en een boek over theater uitgebracht (Opera in uitvoering van Aart Bouwmeester en
Hartstocht, toeval en tegenslag van Marian Buijs). Dat was de aanleiding om Rijnders en
Nederlandse Opera-directeur Pierre Audi met elkaar de degens te laten kruisen in de Stadsschouwburg.
Het uitgangspunt was een citaat uit Bouwmeesters boek, opgetekend uit de mond van Audi:
"Muziektheater heeft meer mogelijkheden het publiek op een intellectueel niveau mee te nemen dan
bijvoorbeeld toneel. Zaken die bij toneel grotesk zijn, blijken soms met muziek heel aannemelijk te
worden: muziek gaat over het aanjagen van emoties. Als je opera maakt sluit je veel compromissen."
Wat meespeelt bij deze confrontatie zijn vragen als: heeft Rijnders zin in opera? Heeft Audi zin in
Rijnders? Of moeten ze elkaar niet?
Welnu, alles is nog mogelijk. De beide sprekers houden de deur vriendelijk op een kier, maar nemen
toch een behoedzame afstand in acht.
Audi haast zich de kwestie te neutraliseren. Zijn woorden zijn geen stelling, maar een uitlating.
Muziektheater omschrijft hij als "een taal van dromen, een opening naar tot de psyche, en een diepere
ervaring als het werkt." Die werking hangt af van de alchemie die ontstaat tussen de voorstelling
en het publiek. Omdat bij de opera de essentie wordt gedragen door de muziek is het inschakelen van
toneelregisseurs niet noodzakelijk een oplossing, vindt Audi.
Ook Rijnders maakt de these onschadelijk, door het argument om te keren:
"Zaken die bij opera grotesk zijn, blijken soms met gesproken tekst heel aannemelijk te worden",
enzovoort. Klopt nog steeds als een bus.
Wel vindt Rijnders dat de opera heel makkelijk allerlei vernieuwingen overneemt en zich vervolgens
uitroept tot koningin van de theatervormen:
"Opera neigt ertoe zich te manifesteren als de Alma Mahler onder de theater kunsten: vet, zelfvoldaan,
uiterst zelfingenomen en lui, en terend op talenten van anderen."
"Maar", moet hij toegeven, "één soort toneel is dooier en saaier dan welke opera ook,
en dat is het realistisch toneel. Sinds de komst van de film en de tv is dat overbodig. Het doorbreken
van normen, uitgangspunten en vooroordelen is absoluut noodzakelijk."
Juist het toneel zoekt dikwijls zijn eigen grenzen op, meent Rijnders, en noemt daarbij zijn
voorstelling Ballet als voorbeeld. "En er zal ook nog wel een stuk komen dat Opera heet."
© Frits van der Waa 2006