de Volkskrant van 10-03-1997, Pagina 9, Kunst, recensie
Heinrich Schütz krijgt superieure vertolking
Schütz en Distler, door het Nederlands Kamerkoor o.l.v. Uwe
Gronostay. Laurenskerk, Rotterdam, 6 maart. Herhaling: Arnhem (10),
Middelburg (11), Amsterdam (14), Beek (15) en Brussel (16/3).
Het enige bezwaar dat je tegen het jongste programma van het Nederlands
Kamerkoor zou kunnen inbrengen is dat het eerste stuk meteen ook het
allermooiste is, zodat al het schoons wat daarop volgt vagelijk het karakter
van en oningeloste belofte heeft.
Dat eerste stuk, Das ist je gewisslich war - in wezen niet meer dan een
simpele geloofsbelijdenis, is door de componist gevat in een weelderige
veelstemmigheid, een stroom van geluid die zich ruisend vertakt in talloze
zijriviertjes met schier eindeloze schakeringen en ten slotte samenvloeit in
een eendrachtige samenzang van een overweldigende sonoriteit.
Het Kamerkoor bracht onder de robuuste, maar verzorgde directie van artistiek
leider Uwe Gronostay superieure vertolkingen. Ook na de opulente opening
bleef het verbazend hoeveel schakeringen Heinrich Schütz het koor weet
te ontlokken - alsof met elk stuk weer een nieuwe wereld betreden werd.
Aan het eind van zijn lange leven (hij werd 87) heeft Schütz een Lukas-,
een Johannes- en een Matthäus-Passion gecomponeerd. Die worden maar
hoogst zelden uitgevoerd, wat niet zo'n wonder is. Deze werken zijn namelijk
uiterst sober van karakter en voor een groot deel zelfs eenstemmig - een
bijna volstrekte tegenpool van de grote, dramatische passies van Bach.
In zijn in 1932 gecomponeerde Choral Passion greep Hugo Distler terug op dit
voorbeeld. Dat maakte dat de twee onderdelen van dit concert, weliswaar
gescheiden door drie eeuwen, toch een harmonische combinatie vormden.
Distlers streven de stevig in de tonaliteit gewortelde a cappella-traditie te
verzoenen met de chromatische vrijheden van de negentiende eeuw heeft iets
geforceerds, maar niettemin is deze Choral Passion een indringend werk.
Ook Distler weet in zijn meerstemmige zettingen een grote diversiteit aan
stemmingen te realiseren, maar vergeleken met de stralende klanken van
Schütz' muziek doen deze passages, hoe fantasievol ook, wat bewolkt aan,
met hun bronsachtige geluid en hun welluidend geïntroduceerde
dissonanten.
Hoewel de dramatische kracht van het werk stoelt op de afwisseling van meer-
en eenstemmigheid zijn merkwaardig genoeg de sobere, solistische lijnen
waarin Distler het lijdensverhaal laat voordragen het meest pregnant.
© Frits van der Waa 2006